20. sep, 2021

BENJAMIN BEERSTRA

HOOFSTUK 1 – GEBOORTE VAN EEN NIEUWE LIEFDE

Het is 19 April 1966. Hans loopt te ijsberen door de gangen van het Wilhelmina Gasthuis. De gangen zijn koud, wit steriel. De helft van de muur, is wit betegeld, een zwarte tegelstreep geeft de scheidslijn aan tussen het stucwerk en het tegelwerk. Hier en daar is het stucwerk een beetje gescheurd. De vloer is nog een echte zwart wit gespikkelde Granito vloer. Hans gaat zitten op een houten bank, lichtbruin, lange planken, in een ronde vorm gelegd. Vanmiddag zijn de weeën begonnen. Het is een bewolkte dag. De temperatuur is tien graden Celsius, maar door de zuidwesten wind, voelbaar in het gezicht, een kracht van wel circa vier meter per seconde Geen pretje om naar de tramhalte te lopen. Hans heeft geen auto, geen rijbewijs. Wel een motorrijbewijs, hij gaat niet rijden met een zwangere vrouw achterop. De weeën zijn nog licht. Dus hebben ze besloten om naar Tante Rietje te gaan. Tante Rietje woont in de 1e Helmersstraat, samen met haar man Helmut. Gretha heeft daar ook gewoond, tijdelijk toen Hans zijn vrouw Gretha voor het eerst ontmoette.

Een jaar eerder. Hans reageert op een contactadvertentie uit de zaterdag editie van De Telegraaf, waarin een jonge vrouw van 29 op zoek is naar een lieve man. Geen details, weinig tekst, want iedere letter kost geld. Hij reageert onmiddellijk. Op zoek naar pen en papier, schrijft hij zijn verhaal en loopt naar het postkantoor om zijn brief te posten aan het adres die de brieven weer sorteert en aflevert bij de plaatser van de advertentie. Ze heeft het voor het uitkiezen, maar één van de brieven valt toch wel op. Een Friese man die nu in Amsterdam woont. Dus ze schrijft hem terug. Hans ziet het adres en gaat er direct op af. Hij woont zelf op een kamertje bij een Hospita, midden in de binnenstad. Niet zo een beste buurt. Hij mag geen vrouwen meenemen, de Hospita wil geen gedonder. In plaats daarvan koopt hij wel eens bij de Slager om de hoek een gegrild kippetje, om zichzelf te verwennen. Soms een Spekbokking bij de visboer.

Hans belt aan, bij de 1e Helmersstraat, een jonge vrouw doet open, een klein meisje van ongeveer zes kijkt onder haar benen door. “Hallo, ik ben Hans. Bent u Leen, uit de contactadvertentie?” “Nee, ik ben Gretha en woon hier tijdelijk. Leen is niet thuis, dus ik kan u niet helpen.” “Kunnen we dan even praten, ik begrijp dat u me niet binnenlaat, maar we kunnen even naar het Vondelpark wandelen, dan kunnen de kinderen daar even spelen.” Dat doen ze. Ze praten over heel veel. Ze delen aardig wat interesses. Allebei hebben ze kinderen, alleen hij ziet ze niet meer. De scheiding van hem is net rond. Hij en zijn vrouw zijn uit elkaar gegroeid. Hij kon geen goede baan vinden in Friesland die hem beviel. Ja, hij heeft gewerkt bij Philips in Drachten, op zich een goede baan. Hij werd er alleen gek van, die vier muren en de lopende band. Hij is vrijheid gewend. Via een advertentie las hij dat ze in Amsterdam mensen zochten bij de plantsoenendienst. Dat leek hem wel wat. Hij meldde zich en ging er door de week op kamers wonen. In de weekenden ging hij naar huis, maar wat hij daar zag was niet wat hij wilde zien. Het was een moeilijke tijd, voor hem en zijn vrouw. Zijn vrouw zag het avontuur in de grote stad niet zitten. Hij was een solitair man en kon overal wennen, zij hechtte zich aan haar familie en dat waren haar contacten, haar Netwerk. Als hij thuis was hadden ze ruzie, over de kleinste dingen. 
Haar vader, zijn schoonvader, koos haar kant. Het waren goede mensen, allemaal. Ze gedroeg zich zo, omdat ze ongelukkig was met de situatie en Hans zou ongelukkig zijn met werk in een fabriek. Werk op het land was nog maar karig en hij wilde nu iets opbouwen en daarvoor had hij nu de kans. De scheiding was onvermijdelijk, maar keihard, vooral voor haar. Er was geen bezoekregeling, het zou allemaal te zwaar worden, voor haar. In 1960 wordt Wikje geboren, hij krijgt haar niet meer te zien.

Gretha heeft de andere kant meegemaakt, haar man, Riemer, was vaak van huis en had zwaar werk op de scheepswerf. Hij had alleen een groot probleem, hij kon niet van de drank afblijven. Dat leverde thuis grote problemen op. Ze hebben een tijdje in Alkmaar gewoond, maar het was voor hem niet vol te houden, dus verhuisde ze naar een krot in Amsterdam op de Achtergracht. De huizen daar waren slecht onderhouden, door de huisbazen, het was een huis waar ze direct in konden trekken en toen sloeg definitief de stop door. Gretha vluchtte met haar kinderen naar een tante. Daar woonde ze nu, samen met haar zus, Leen, die ook nog steeds alleen was, maar niet meer in Amsterdam Noord bij haar moeder wilde wonen. Gretha zat nog midden in haar scheiding, was dus niet op zoek naar een nieuwe relatie.

Op dat moment trekt Liesje, zoals de jongste dochter van Gretha ook wel genoemd wordt aan de broek van Hans. “Meneer wilt u een zandtaartje.” Gretha en hij zijn op de rand van de zandbak gaan zitten, zodat ze vlakbij Liesje en Mary kunnen zitten. Annemarie is niet meegekomen, zij is al 12 en had een afspraak met haar vriendinnetje. Hans kijkt Liesje lachend aan.

Ineens voelt Hans een paar vingers op zijn schouder, hij kijkt opzij. Het zijn magere verschrompelde vingers, hij kijkt omhoog en ziet een gezicht, gerimpeld, verborgen onder een grote bril en een witte kap. De vrouw, klaarblijkelijk verpleegster vraagt of Hans even meeloopt. Hans volgt haar naar een kamertje en de vrouw stelt Hans een aantal vragen. Over de leef en woonomstandigheden van Gretha en over hun relatie. Hans en Gretha wonen inmiddels al een half jaar samen. Gretha is inmiddels ook op papier gescheiden. Hun liefdes baby is geboren, maar Gretha is nog zwak. Hans vraagt of hij zijn zoon wel mag zien en hij loopt mee, naar een ruimte waar de pasgeboren baby’s liggen. In die ruimte zijn jonge verpleegsters bezig met zijn zoon. Ze hadden besloten dat een zoon Bernd zou heten en een eventuele dochter Jeltje, beiden een vernoeming naar de ouders van de moeder van Hans. Ze moesten nog wel nadenken over een modernere variant, want ze hadden tegen elkaar gezegd dat hun zoon wel een moderne naam moest krijgen. Bernd, is dus geboren, het is vijf voor twaalf in de nacht, zijn gewicht is negen pond. De verpleegsters noemden hem al een echte Benjamin, naar de cowboy uit de televisieserie. Benjamin, die altijd honger heeft. Hans hoorde dat en zou overleggen met zijn ‘meissie’. De vrouw die hem nu al zo gelukkig maakt.

Brandevoort – Helmond, 2015