13. apr, 2017

De Uitvreter, maar dan anders

Behalve de man, die zijn vriendin, de mooiste van het Omniversum en Madurodam vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan de Dromer. De Dromer, dien je op de deelnemerslijst zag staan van de Mondo keienmeeting, bij het kogelstoten met zijn slappe armpjes en het slome uiterlijk, als je daags erna de uitslagen bekeek viel het je direct op. De dromer, die vertelde over de veranderingen die plaats moest vinden in mentaliteit, dat we beter voor elkaar moeten zorgen en er eigenlijk maar weinig verschil is tussen ons, ons wat minder druk moesten maken over de economie, maar ons drukker moeten maken voor elkaar. Diezelfde Dromer ging iedere dag braaf naar zijn werk, bij een grote multinational om zijn schulden af te lossen en om zich enigszins in zijn eerste levensbehoefte te voorzien. Anderzijds genoot van een uitstapje om dan aan te schuiven in een restaurant en zich liet trakteren op een 3 gangenmenu. De Dromer sprak dan over zijn volgend project, die maar niet van de grond kwam. Hij zou de wereld wel eens wat laten zien. Ik was van zijn talent overtuigd en zijn gezelschap was vermakelijk. Z'n naam was Homme. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Karin kwam met hem aanzetten toen ze uit Brabant terugkwam.

Homme las mij voor toen ik 's avonds bij hem op bezoek was, onder het genot van een bakkie troost en een door mij meegebrachte fles Armagnac:"Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan lopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n hele leven één gedicht, wat ook vervelend wordt."

Homme ziet er tegen op, om zijn dichterskunst daadwerkelijk aan de wereld te tonen. Hij moet werken voor zijn geld. Er zijn wel mensen die hem aansporen,  maar uiteindelijk komt het er niet van. De mensen aan wie hij iets opdraagt reageren soms enthousiast, andere die het verschil kunnen maken, reageren soms niet. Hij moet tevreden zijn met wat hij doet en ophouden met groot te denken. Iedere keer wanneer hij groot denkt, word hij weer teleurgesteld. 

Voor ik verder doorschrijf wil ik even vertellen dat, Karin, die meestal meeleest, met wat ik schrijf, niet begrijpt wat ik nu schrijf. Ze wil een gezellige avond en daarin is geen plaats voor somberheid. Ze moet toch weten dat het slechts is ter lering ende vermaak. Dat het niet uitmaakt, niks verloren of gewonnen. Ze wil dat ik nu stop. Echter, ik ga door, dit keer ga ik door.

Homme las verder, hij heeft al 3 glaasjes gedronken. Ik nip nog aan de helft van mijn 1e glaasje: "Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve mijn vrouw, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest."

Homme vertelt over zijn jeugd, over zijn maatjes, die zoveel talentvoller zijn dan hij. Echter hij spoort hen aan om door te gaan, door zelf door te gaan. Zowel op sportief gebied als op "artistiek" vlak. Hij maakt een afspraak met een schrijver, die hem aanbied, hem te adviseren, echter Karel N.L. Grazell geeft aan hem niet persoonlijk te kunnen helpen. Hij adviseert hem om bij een jonge schrijversgenootschap toe te treden, zoals Simon Vinkenoog onder andere om hem heen heeft. Echter in plaats daarvan gaat hij naar een uitzendbureau.  Hij ziet het niet zitten en komt terecht in het bedrijfsleven. Hij bewaart zijn schrijfsels zorgvuldig, totdat zijn vrouw uiteindelijk bezwijkt en krankzinnig wordt van al het melodrama en het gehunker naar het onbereikbare.  Op dat moment vernietigd hij zijn ideaal en vertrekt naar Friesland, daar waar weinig variatie is van landschap. Eeuwige jachtvelden van weilanden en strakke slootjes, met boompjes eromheen. Hier en daar een klein kerkje. Hij geniet van de eenvoud en de weinige complexiteit. 

'O God,' denkt i, 'als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens ineens van al die vrouwen al de kleeren afvielen?' Een dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn lezeressen... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken."


Teruggekomen uit Friesland leest hij me voor wat hij daar geschreven heeft. Zijn hoofd zit vol gedachten, hoe het beter moet. Hij vertelt mij over zijn eenzaamheid en over zijn wensen. Af en toe komt er iets terug uit zijn jeugd. Beginnen zijn ogen te glunderen bij de gedachte over hoe het kan zijn. Het is nu tijd voor mij om te gaan. Hij is al toe aan het zesde glas en ik heb mijn eerste op.

Ik ga naar Karin en vraag haar, hoe ze hem heeft ontmoet. Deze Dromer intrigeert mij wel. Ze vertelt over Brabant en ze vind hem wel lief. Als ik wat meer zou hebben van hem en hij wat meer van mij, dan zou haar ideale man gecreëerd zijn. De volgende ochtend ga ik bij hem langs. De deur is niet op slot. Hij staat op een kier. Er ligt een briefje op de grond, van Homme, geen spoor.

"Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de Thomas Nijhoffbrug gestapt. De eenzame fietser kreeg hem te laat in de gaten. 'Maak je niet druk, ouwe jongen,' had hij gezegd, en toen was hij er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten. Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt."

Nu rest me nog 1 ding, om hem te vertegenwoordigen. Zijn gedachtegoed door te geven en iets van zijn en mijn leven te maken.

╗ HW 28-12-2015

-----------------------------------------------------------------
Bovenstaande bevat fragmenten uit:
De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje van Nescio 
Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar.